Kippenvel
Ik voel mijn huid omhoog kruipen langs mijn armen, vanuit mijn billen over de rug in de richting van mijn nek. Een ijzingwekkende gedachte probeert me te wurgen. Dit heb ik niet verdiend. Ik schud haar van mijn naakte lichaam af.
Ik denk de lucht
Ik denk de lucht in mijn longen. Adem in, adem uit. Ik luister. Dit is geen reflex, dit is wilskracht. De lucht is mijn geliefde, in, uit. Het wordt weer kouder ’s ochtends. Ik proef de pepermunt.
Langs de kosterswoning
Er doolde een bries door het dorp, van de oude kerk langs de kosterswoning naar de bakkerij. Ze streek langs mijn benen met een adem van pepermunt. Door het raam van de kosterswoning zag ik een vrouw een trui dragen. Morgen geen rok meer, dacht ik.
Rehdead ceherleader getitng doulbeteamed
Vandaag stuurde een zekere Rury Peffer mij mijn eerste spam. Zij beloofde mij een verknipt dansmarieke met rode haren en gewillige openingen, maar het bericht zelf sprak van Londense negerinnen en citeerde Duin. Ik vroeg mij af of ik nu geacht werd iets te kopen of verbijsterd mijn handen op het toetsenbord te laten zinken.
In het kleedhok
Vanochtend zocht ik houvast bij mijn ziel, omdat mijn lijf niet thuis gaf. Ik stond voor een manshoge spiegel in het kleedhok van een winkel waar ze ondergoed verkochten. Het licht was wit en zonder mededogen. Ik ben te dik, ik ben te dun, te rond, te hoekig. Mijn ziel haalde haar neus op. Er klonk een muziekje dat mij uitdaagde tot wulpsheid.
En toen kwam de nacht
En toen kwam de nacht, als een crypte die zich om mijn ogen hees. Ik nam mij voor onbevreesd af te dalen. Mijn zonden waren klein. Het duister toonde erbarmen en speelde een liedje op mijn wimpers.
Afscheid van de dag
Het tegenlicht van de zon drong door mijn oogharen als een afscheid van de dag. Ik liep door het weiland. De warmte droop van mijn gezicht. Drie schapen keken me nieuwsgierig aan. Er was weer een dag voorbij, maar de dieren dachten enkel aan eten.
Mijn torso (4)
Maar ik stond niet in een museum. Ik stond in de achtertuin, compleet van lijf en leden. Het gras was mijn sokkel, de vogels vormden mijn publiek. Mijn torso drong zich aan mij op als een vreemde entiteit die slechts bij toeval mijn hoofd stutte. Even leek het zelfs of mijn geest het lichaam klaar verliet om als een tuinfluiter eromheen te fladderen. Toen daalde ik neer in het gras, de vaste grond. Gerustgesteld viel ik in slaap.
Mijn torso (3)
Er zouden andere torso’s zijn in dezelfde zaal, even inwisselbaar als ik. De mannen fiere piemeldragers, de imaginaire benen iets gespreid in een pose van standvastigheid. De vrouwen bewaren hun geheim, de benen tegen elkaar, volgens het commando der bevalligheid. Vanuit mijn vitrine zou ik willen schreeuwen: lijf, wees niet bang, vertil je niet aan je schroom en toon dat je bij mij hoort.
Mijn torso (2)
En stel, dacht ik, dat mijn lijf niet in marmer werd gegoten, maar in vlees op een museumsokkel toefde, overdekt met kippenvel. Ik zou het zien, vanuit de vitrine waarin mijn hoofd rustte, telkens rillend wanneer iemand het bordje ‘niet aanraken’ negeerde.
Mensen zouden mijn hoofd bestuderen, herkenning zoekend in mijn blik: dit is een mens zoals wij. Maar mijn lijf zou een object zijn, inwisselbaar als de batterij in hun fototoestel. Een torso is geen mens.