Archief voor geest
Twee stenen borsten
Ik ben door de zomer heen gedreven, als een blad in een beekje, rondom de kiezels, langs een oever die heel langzaam wijkt onder mijn schuren. Het is alweer september.
Twee gladde stenen houd ik in mijn handen, voor mijn borsten. Het lijkt alsof ze steeds zwaarder worden naar mate de regen buiten dichter neerdaalt. Oktober nadert.
Daar ben ik weer
Ik moest even bij zinnen komen. Of misschien moet ik zeggen: op zinnen. Op zinnen die ik hier vertellen kan, zonder gene, kale woorden waar alle haartjes van zijn weggeschoren. Er zit stof tussen de toetsen, een laagje vettig vuil langs de rand van mijn muis. De lucht is grauw. Ik wacht op een somberloze lente.
Serre in de zon
In de serre scheen de zon, tropisch achter het dubbele glas. Ik zette een tuinstoel neer, koesterde mijn lichaam in de hitte. Mijn wangen gloeiden in de laaghangende stralen, een gevoel veel aangenamer dan de kleffe hand van een zomerzon. Buiten school, achter een berkenstam, een roodborstje tegen de wind.
Rijen stenen
Een bonte kraai keek toe vanuit een ligusterhaag. Lange rijen hagelwitte stenen markeerden de graven van gesneuvelde Britten en Canadezen. Even verderop was een vers graf gedolven, een langwerpig gat tussen reeds verweerde stenen. Een omineuze berg gele aarde ernaast, de lucht een bijpassend grauw. Ik nam me voor om niet te huilen.
Warme regen
Ik droomde van warme regen die de sneeuw van mijn schouders smolt. De zon scheen in mijn gezicht, terwijl een eenzame donderwolk zich liet gelden. Katoen zoog zich vol. Mijn eigen zweet onder het dekbed.
Rafelranden
Zwarte wanhoop keek mij aan vanaf de voorkant van de krant. Een vrouw, verward ontkomen aan de beving. Ze droeg een fleurige jurk van rauwe rafelranden – haar enige bezit, vermoedde ik. Blote voeten, naakte armen. Langs de kant van de gekreukelde straat keek een man haar grijnzend aan. Hij had zich al herpakt, keek uit naar mogelijkheden.
Als een sperwer
Er dwarrelt sneeuw door mijn verwachtingen, nog altijd. Ik was in de tuin om verse kruimels van een plankje te vegen voor de vogels. Er kwam een roodborstje op af, een merel, twee heggenmussen. Op een afstandje hurkte ik neer. Ik vroeg me af: zou ik gelukkiger zijn wanneer ik een kleine vogel was, en dankbaarder voor elke kruimel? Naakte gedachten overvallen je altijd als een jonge sperwer. Ik ging naar binnen.
Nieuwjaarsduik
In de krant stonden vrouwen met een muts op, gekieteld door een ijzige zee. Ze droegen bikini’s die aanstonds bevriezen zouden en lachten hun angsten weg. Als lemmingen waren ze op het water afgestormd, als natte hamsters keerden ze terug.
Huid trok samen
Ik stond onder de douche, vloeiende warmte op mijn schouders. Sneeuw had zich opgestapeld tegen het raampje. Ik schoof het open. De damp besloeg, nog hangend in de lucht. Ik schepte twee handen sneeuw van de vensterbank en drukte ze aan mijn borst. Huid trok samen. De sneeuw smolt tussen mijn vingers, als een dolk die uit mijn hart werd weggetrokken.
Schrijvende merel
Ik zie sneeuw, als een winters visitekaartje op het platte dak van de schuur. Een koolzwarte merel schrijft er zijn naam op, met analfabete pootjes. Halverwege zijn tocht over het dak aarzelt hij even, alsof hij zich afvraagt hoe hij ook weer heette.